Bron 5  -   inflatie, rente en betalingsbalans
 

 

  1. Als de prijzen in een land sterker stijgen dan in het buitenland, verslechtert de concurrentiepositie van dat land (de mogelijkheid om te concurreren).

  2. Buitenlanders kopen minder in het land met de hoge inflatie, dus de export daalt.

  3. Voor inwoners van het land met de hoge inflatie worden buitenlandse producten goedkoper, dus de import stijgt.

  4. Als de waarde van de export daalt en de waarde van de import stijgt, verslechtert het saldo op de lopende rekening en er kan een tekort op deze rekening ontstaan.

  5. Als het tekort op de lopende rekening niet wordt gecompenseerd door een overschot op de kapitaalrekening (= financiële rekening), verslechtert het saldo van de totale betalingsbalans en is er geen materieel betalingsbalansevenwicht meer.

  1. Als de centrale bank (niet: de overheid!) de rente in een land verhoogt, wordt het voor (1) internationale beleggers aantrekkelijker om in dat land te beleggen. Hierdoor stijgt de kapitaalimport van dat land (er  komt extra kapitaal het land binnen). Ook voor (2) binnenlandse beleggers wordt het aantrekkelijker om in eigen land te beleggen, waardoor er minder kapitaalexport plaatsvindt.

  2.  Meer kapitaalimport en minder kapitaalexport leiden beide tot een verbetering van de financiële rekening.

  3. Een overschot op de financiële rekening kan zo een tekort op de lopende rekening compenseren, waardoor het saldo van de betalingsbalans wordt verbeterd en materieel betalingsbalansevenwicht kan worden hersteld.

Voor de euro-landen geldt dat de centrale banken van de afzonderlijke landen niet meer over de bevoegdheid beschikken om het renteniveau te veranderen. Dat mag alleen de ECB in Frankfurt doen. De overheid zal in deze landen dus zelf moeten ingrijpen:

  1. Als er een tekort is op de lopende rekening moet de regering de belastingen verhogen. Als (1) de loon- en inkomsten belasting wordt verhoogd, daalt het netto-inkomen van de gezinnen. Als (2) de BTW wordt verhoogd, daalt de koopkracht van de gezinnen.

  2. Als (a) de gezinnen over minder geld beschikken of als (b) de prijzen stijgen, kunnen de gezinnen minder kopen, dus ook minder buitenlandse eindproducten. In veel binnenlandse producten zijn bovendien buitenlandse grondstoffen verwerkt. Als er minder binnenlandse producten worden gevraagd, zullen er ook minder worden gemaakt en zullen er vervolgens ook minder grondstoffen worden geïmporteerd. Conclusie: zowel (1) de import van eindproducten als (2) de import van grondstoffen daalt.

  3. Daling van de waarde van de import leidt bij een onveranderde waarde van de export tot een verbetering van het saldo op de lopende rekening.