Differentiëren
(alleen voor vwo-leerlingen)
Differentiëren wordt in de vwo-stof van het vak economie nog wel eens
gebruikt. De uitleg hiervoor is in drie onderdelen verdeeld:
1. Een algemene inleiding over differentiëren
uitleg over wat je nu eigenlijk doet met differentiëren
en uitleg van de standaard regel (uit de wiskunde)
2. Een toepassing van het differentiëren: MO en MK
3. Een andere toepassing van differentiëren: de puntelasticiteit.
1.
Algemene inleiding differentiëren
Bij het vak economie willen we vaak weten in hoeverre een bepaald
gegeven verandert, wanneer een andere factor verandert met één eenheid. Dus
bijvoorbeeld hoeveel stijgt de totale opbrengst van een producent als er één
product meer geproduceerd wordt. Of grafisch weergegeven:

Er is bij het differentiëren één verschil: je kijkt niet naar een stukje
van de lijn, maar je bekijkt het in één punt (met behulp van een raaklijn).
Zodat:

Om te kunnen differentiëren (eerste afgeleide bepalen) bij het vak economie, heb je alleen de meest eenvoudige regel uit de wiskunde nodig. Namelijk:
| Formule: |
|
Met de
omschrijving
wordt aangegeven dat vergelijking "y" moet worden gedifferentieerd
naar de variabele "x". Dit lijkt in een eenvoudige vergelijking
overbodig, maar zodra een vergelijking meerdere onbekenden heeft absoluut
noodzakelijk.
Dus:
| Als er in de vergelijking
staat y = |
via | wordt de eerste afgeleide |
| 5x3
3x2 15x 15 |
3·5x3-1
2·3x2-1 1·15x1-1 y blijft contant (15) |
15x2
6x 15 0 |
Bij het vak economie zal er echter in de meeste gevallen geen "x" in de vergelijking staan, maar een "q".
Bijvoorbeeld
TO = -4q2 + 10q
De eerste afgeleide (= de marginale opbrengst) wordt dan:
![]()
MO= -8q + 10
2. Een toepassing:
MO en MK
2a. Marginale opbrengst
= de extra (totale) opbrengst als de productie met één eenheid
wordt uitgebreid.
Om de MO-functie te herleiden moeten we dus de eerste afgeleide hebben van de
TO-functie.
| Stel een monopolist heeft te maken met de
volgende collectieve vraagfunctie: Qv = -5P + 20 |
|
| De collectieve vraaglijn voor deze producent
kan ook worden herschreven als een prijs-afzetfunctie:
Qv = -5P + 20
|
![]() |
| De totale omzet (opbrengst) kunnen we dan
eenvoudig berekenen door:
TO = P · Q
|
![]() |
| De extra opbrengst voor één extra product
(MO) kunnen we bepalen door de eerste afgeleide te nemen van de zojuist
gevonden TO-functie:
Wanneer
we deze lijn in de grafiek tekenen, valt op dat de MO-lijn de
hoeveelheid-as precies halverwege snijdt t.o.v. de Qv-lijn. |
![]() |
| Voor
de top geldt: de extra opbrengst , maar is positief (de TO-stijgt, maar
steeds minder snel). Na de top geldt: de TO-parabool begint te dalen (en steeds sneller). Dat wil zeggen dat de extra opbrengst voor één extra product negatief wordt (en steeds meer negatief wordt). Onthouden: |
![]() |
2b. Marginale kosten
= de extra kosten als de productie met één eenheid
wordt uitgebreid.
Een kostenfunctie voor een bedrijf kan er bijvoorbeeld als volgt uitzien:
TK = TVK + TCK
TK = 20·q + 100.000
| Extra kosten bij een uitbreiding van de
productieomvang kunnen dus alleen ontstaat doordat er meer variabele
kosten zijn! De stijging van de totale kosten (TK) is gelijk aan de stijging van de variabele kosten (TVK). Om de MK-functie te herleiden kunnen we dus de eerste afgeleide hebben van zowel de TK-functie als de TVK-functie. |
![]() |
Nu kunnen we aan de kostenzijde van ondernemingen twee soorten onderscheiden:
- er kan sprake zijn van proportioneel variabele kosten (zoals in het
bovenstaande voorbeeld/grafiek)
dwz. elk product heeft dezelfde variabele kosten (in voorbeeld: 20)
- er kan spreke zijn van niet-proportioneel variabele kosten (in alle
andere gevallen)
dwz. dat de gemiddelde variabele kosten niet steeds hetzelfde bedrag
zijn.
Aangezien de variabele kosten de omvang van de marginale kosten bepalen
verschillen de conclusies voor MK voor beide gevallen
|
proportioneel variabele kosten |
niet-proportioneel variabele kosten |
||||
| Elk product heeft dezelfde variabele
kosten. Dus bijvoorbeeld € 20,- per stuk.
De marginale kosten (MK) kunnen we nu bepalen door de eerste afgeleide van TK of TVK te nemen: MK = 20 In een grafiek ziet dat er als volgt uit:
|
Er zijn verschillende mogelijkheden, maar de
meest gebruikelijke is een kostenfunctie die er bijvoorbeeld als volgt uit
ziet:
De marginale kosten (MK) kunnen we nu bepalen door de eerste afgeleide van TK of TVK te nemen:
In een grafiek ziet dat er als volgt uit:
|
2c. Maximale winst: ( MO = MK )
Indien een onderneming een productieomvang heeft waarbij geldt: MO =
MK , maakt de onderneming maximale winst (of minimaal verlies).
Door de MO-functie en de MK-functie aan elkaar gelijk te stellen kunnen we
deze productieomvang uitrekenen.
En vervolgens ook de daarbijbehorende TK, TO, en TW(max)
|
Opgave 1 ◘ Collectieve
vraagfunctie: Qv = -2p + 16 p
= prijs in euro's 1
Bereken de maximale opbrengst voor de onderneming. |
3. Puntelasticiteit
Elasticiteiten worden gebruikt om het verband te analyseren
tussen twee samenhangende factoren (bijvoorbeeld: in hoeverre een prijswijziging
gevolgen heeft voor de vraag naar een product).
| Bij 'normale' elasticiteiten maken we daarvoor
gebruik van procentuele veranderingen. Bijvoorbeeld wanneer de prijs van een goed wordt verlaagd van 6 naar 4 euro (punt A naar punt B). We spreken in zo'n geval van een segmentelasticiteit, omdat de verandering een stukje (segment) van de vraaglijn betreft. We kunnen hiervoor de volgende formule gebruiken:
|
|
Er hoeft echter niet altijd sprake te zijn van een prijsverandering. Het kan
ook zo zijn dat we de prijselasticiteit van dit product willen weten bij een
prijs van 6 euro.
In zo'n geval spreken we van een puntelasticiteit; het gaat immers om
één punt op de vraaglijn.
De formule voor de puntelasticiteit kunnen we herleiden vanuit de segmentelasticiteit (maar je hoeft dit niet zelf te kunnen):
| Stap | |
| 1 | Formule segmentelasticiteit:
|
| 2 | We kunnen dit herschrijven (delen
door een breuk is vermenigvuldigen met het omgedraaide van die breuk):
|
| 3 | Herschikking levert dan op:
Het gaat hier nog steeds om een segmentelasticiteit (er is nog steeds sprake van een échte verandering (Δ)). |
| 4 | Wanneer we deze formule herschrijven voor de
'verandering' in een punt (differentiëren), krijgen we de formule voor een puntelasticiteit:
Deze
formule bestaat uit twee delen: (E = a · b) |
|
Opgave 2 ◘ Collectieve
vraagfunctie: Qv = -2p + 16 p
= prijs in euro's 1
Bereken de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid. |
Als je bovenstaande opgave gemaakt hebt, heb je al gezien dat de formule voor
de puntelasticiteit vrij eenvoudig ook voor andere elasticiteiten is te
herleiden.
Ik geef hieronder een overzicht.
| Elasticiteit | Formule | Voorbeeld |
| Prijselasticiteit van de vraag |
Qv = -2p + 16
Bereken de prijselasticiteit bij een prijs van €5,-. Dan geldt: qv = 6 Dus: |
|
| Prijselasticiteit van het aanbod |
Qa = 3p - 12
Bereken de prijselasticiteit bij een prijs van €5,-. Dan geldt: qa = 3 Dus: |
|
| Kruiselingse elasticiteit | Qv1= -2p1 + 0,5p2
+ 20
Berekende de kruiselingse elasticiteit van de vraag naar goed 1 als gegeven is dat p1 = €2,- en p2 = €5,- Dan geldt: qv1 = 18,5 Dus: |
|
| Inkomenselasticiteit | Qv
= -20p + 0,004Y + 0,5p2 + 80
Bereken de inkomenselasticiteit van de vraag als gegeven is dat: p = €2,- ; p2 = €4,- ; Y = €24.000,- Dan geldt: qv = 138 Dus: |
|
| De formule kent de volgende
logica:
Deze formule bestaat uit twee delen: (E = a · b)
a. de eerste afgeleide van de functie (die het gevolg
beschrijft) differentiëren naar de variabele die verandert (oorzaak) |
||
De conclusies die verbonden kunnen worden aan de waarde van de puntelasticiteit zijn (natuurlijk) dezelfde als bij een segmentelasticiteit!